Faalangst en motivatie

Als kinderen een opgegeven taak niet als zinvol ervaren, kunnen we weinig inspanning verwachten. De inspanning moet immers wel wat opleveren. Bij dit waarderen van een leertaak laten kinderen zich bijvoorbeeld gemakkelijk leiden door de verwachtingen die ze hebben over een leraar, waarvan ze nog geen les hebben gehad. Dit kan alleen al de voorkeur of tegenzin voor een vak als bijvoorbeeld geschiedenis verklaren.

Na waardering komt motivatie. Motivatie is afhankelijk van de verwachting die iemand heeft over het al dan niet succesvol afronden van een taak. Deze verwachting bepaalt hoe sterk je gemotiveerd zult zijn en of deze motivatie positief (aanpakken) of negatief (vermijden) zal uitpakken.
Verwachtingen hebben te maken met factoren:

  • die in de kind zelf liggen (zelfvertrouwen, vertrouwen dat het na inspanning wel zal lukken)
  • die in de omgeving liggen: “die strenge leraar zet je onder tijdsdruk”, “dit telt niet meer mee voor het rapport”, “goede punten vinden ze thuis niet meer dan normaal en niet de moeite waard om er aandacht aan te besteden”.

Faalangst is het zich bedreigd voelen door de gevolgen van geleverde prestaties. Je schat in dat de kans om te falen erg groot is en dat je er zelf slechts weinig controle op uit kunt oefenen (bijvoorbeeld opgaan voor het rijbewijs, terwijl je weet dat men slechts 5% laat slagen).
Faalangst heeft te maken met aanleg en omgevingsinvloeden. Sommige mensen zijn van nature angstiger dan anderen. De veiligheid die het kind in een gezin ervaart en de acceptatie van het kind door zijn ouders spelen hierin een rol. Daarnaast is faalangst ook vaak aangeleerd. Ook leerstoornissen spelen een grote rol in concrete faalervaringen.

Faalangstige kinderen zijn te herkennen aan:

  • de vraag om regelmatige feedback op de opdrachten die ze maken;
  • het snel uit hun evenwicht zijn als de sfeer in de klas minder goed is;
  • het steeds weer willen horen dat ze het goed doen;
  • uiterlijke en innerlijke spanningsreacties;
  • het eerst kijken hoe anderen het doen.

TIEN voor TIEN diagnosticeert op deskundige wijze de aangemelde kinderen. Door middel van het door de ouders en school ingevulde aanmeldingsformulier probeer ik we zicht te krijgen op de faalangstproblemen die het kind ondervindt. Door middel van observatie, tijdens de les en daarbuiten en door middel van tests probeer ik faalangstproblemen te achterhalen. Als ik alle gegevens in kaart heb gebracht, kan ik in een gesprek met het kind en zijn ouders conclusies trekken en over de vorm van de hulp/begeleiding advies uitbrengen. Daarna ga ik met de ouders (en eventueel met de school) na hoe lang, hoe vaak, door wie en wanneer de leerling hulp ontvangt.

De uitslag van het onderzoek vormt uitgangspunt van deze behandeling. Er vindt daarna regelmatig terugkoppeling naar de ouders en evaluatie van de ontwikkelingen plaats om na te gaan of uw kind (voldoende) vorderingen maakt.

Als het om angst als persoonlijkheidskenmerk gaat, verwijst TIEN voor TIEN u door naar Bureau jeugdzorg/GGZ.